De Brabander bestaat niet

8 juli 2016 – op mijn verjaardag – was ik op bezoek bij Paul Kuypers, oud-directeur van het PON. Ik had ons jaarboek meegenomen en kreeg er prompt twee andere boeken voor terug. 86 jaar en nog steeds –  misschien wel met meer haast dan ooit – bevlogen over richting en inrichting van onze samenleving. En over de noodzaak onze dadendrang in te tomen. Een heerlijk gesprek volgde; het voelde als een verjaardagscadeau. Over een gedeelde geschiedenis in Zeeuws-Vlaanderen, over het PON als onafhankelijk en soms eigenzinnig instituut, over politiek en bestuur en de noodzaak van samenhang tussen die twee.

Van Paul Kuypers is de uitspraak ‘Brabant bestaat niet’ (in ‘Brabantia’, 1982). Bedoeld om tegenwicht te bieden aan een traditioneel beeld van een Brabant dat misschien wel nooit zo heeft bestaan: idyllisch, agrarisch, Bourgondisch, arm en katholiek. Maar ook om tegenwicht te bieden aan hen die deze beelden gebruiken om vergaande modernisering en industrialisering te legitimeren: waarmee verstedelijking dreigde door te dringen ‘tot in de poriën van het platteland’ (Bijsterveld in ‘Brabant bestaat niet’, 2006). Kuypers (in ‘De Helling’, 2009) vindt dan ook het vraagstuk van ruimtelijke ordening bij uitstek een politieke vraag – een vraag naar ideeën, idealen, gedachten – en veel minder een technocratische bestuurlijke vraag. Zo zou ook de vraag over de bestuurlijke constellatie waarbinnen keuzes worden gemaakt ter discussie mogen staan: hoe navigeer je tussen ruimte laten aan burgers  en de bescherming van (ruimtelijke) waarden en kwaliteit?

Hoe dan ook: met de ontwikkeling van de ‘Brabantse omgevingsvisie’ is er voor gekozen om een aantal uitgangspunten (impliciet) als gegeven te beschouwen. Het moet van het Rijk (lees: de omgevingswet). Het gaat over Noord-Brabant. Over verwachte demografische ontwikkelingen. Over het samenspel tussen regionale niveaus.  Over de rol van het provinciebestuur en van gemeenten.

Te prijzen valt dat binnen die beperkte kaders geprobeerd wordt verder te kijken en de vertaling te maken van mogelijkheden (dromen) naar ideeën die op langere en kortere termijn bijdragen aan een aantal belangrijke opgaven, zoals het verduurzamen van onze landbouw en economie en het versterken van de veerkracht van de arbeidsmarkt. Brabant doet daarmee binnen zijn grenzen wat het kan.

De kunst is de ontwikkeling van ideeën over de toekomst – zoals die over  de fysieke leefomgeving – ook echt te verbinden met de ideeën, idealen en belangen van Brabanders zelf. Brabanders die niet denken in termen van ‘circulaire economie’ of ‘cross-overs’, maar die wel uitermate geïnteresseerd zijn in werk, huisvesting, veiligheid, gezondheid en natuur. Het zijn boeren die zich irriteren aan beperkende regels, buurtgenoten die hun kerk willen behouden, jongeren die dromen van een eigen skatehal, ondernemers die internationaal willen uitbreiden, enz.

Onduidelijk is daarbij de invloed van (nog onbekende) innovaties en veranderende wensen in de samenleving. De nieuwe omgevingsvisie zal daarom enerzijds richting moeten geven aan planvorming, maar anderzijds ruimte moeten bieden voor experiment, leren en aanpassen. Al was het alleen maar omdat ‘de Brabander’ niet bestaat. En omdat Brabant slechts ten dele binnen Brabant wordt bepaald.