“Omgevingsvisie: volop kansen voor innovatie!”

Dat zegt Paul van Poppel in de tweede blog van BrabantAdvies over de omgevingsvisie. Volgens van Poppel, lid van de Provinciale Raad voor de Leefomgeving, wil de visie ontwikkelingsruimte bieden voor maatschappelijke en private initiatieven zoals bij hergebruik van leegstaande gebouwen. Dat vraagt om een innovatieve aanpak terwijl we wel de kernkwaliteiten van Brabant en het beginsel van rechtsgelijkheid in acht blijven nemen. De blogs zijn een van de manieren waarop BrabantAdvies en zijn drie raden de komende tijd de provincie over de omgevingsvisie adviseren.

Omgevingsvisie: volop kansen voor innovatie!

Zoals bekend, bestond er tussen 1960 en 2001 vanuit het rijksniveau een sterke ambitie om op het gebied van ruimtelijke ordening integraal beleid te ontwikkelen. Er verschenen maar liefst 5 Rijksnota’s, die tevens verplichte richtsnoer waren voor streekplannen en bestemmingsplannen. Een periode met centrale regie op de ruimtelijke inrichting van ons land. Het kabinet Balkenende brak hiermee en zette een vergaande decentralisatie in gang. Zelfs de naam van het ministerie, eerst VRO en vanaf 1982 VROM, verdween in 2010 door een samenvoeging met Verkeer en Waterstaat tot het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het had er alle schijn van dat politiek en bestuurlijk Den Haag weinig belang meer stelden in een overkoepelende regierol ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van ons land. Ik vond en vind dit nog steeds op zijn minst verbazingwekkend.

Brengt de Omgevingswet een omslag? Je zou kunnen zeggen van wel, nu de wet voorschrijft dat alle 3 overheidsniveaus omgevingsvisies gaan opstellen, die de uitgangspunten formuleren voor de omgevingsplannen, dus ook het rijk. Als vanzelf vraagt dit tevens om zorgvuldige afstemming tussen rijk en provincie c.q. provincie en gemeente, waarbij, waar nodig, op elkaar ingespeeld wordt. Bijzonder is ook dat het deze keer tegelijkertijd kan gebeuren in de periode tot de invoering van de wet, waar vroeger de planvorming van de 3 overheden in tijd meestal kris kras door elkaar liep.

De Omgevingswet is een raamwet die ingevuld wordt door 4 AmvB’s (Algemene Maatregel van Bestuur). De regering bepaalt de inhoud en doet dat ook in overleg met de provincies en andere stakeholders. De Tweede Kamer is daarbij in principe niet meer aan zet. Maar als een basiselement van de wet burgerbetrokkenheid en –participatie is, hoe gaat dat dan daaromheen georganiseerd worden? Ik weet dat het een nieuwigheid zou zijn, maar nu zijn er kansen om te experimenteren met vormen van participeren. Dit geldt nog sterker bij de opstelling van de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisie en -plannen.

Het motto bij participatie voor de burger is: “what is in for me!”. Hoe krijg je dat belang en die belangstelling echt boven tafel? Dat vraagt om een innovatieve aanpak. De provincie is al bezig om daarvoor verschillende aanpakken uit te proberen en het nieuwe karakter daarvan spreekt op zich aan, maar komen daarmee wederom toch niet alleen de “vanouds” geïnteresseerden in beeld? Het heeft er alle schijn van. Men zal daarom nog veel meer de boer op moeten om zo concreet mogelijke informatie uit te dragen over optionele ideeën en plannen. Hierbij hoort ook het echte verhaal over een van de belangrijkste doelen van de Omgevingsvisie: het bieden van ontwikkelingsruimte voor maatschappelijke en private initiatieven – bijv. bij hergebruik van en/of nieuwe functies in leegstaande gebouwen – en daarbij de bereidheid om waar dat gevraagd wordt, de uitvoering in maatwerk vorm te willen geven. En daarom wil de visie ook de ruimte geven voor de nodige experimenten als initiatieven daarom vragen.

Uiteraard bepalen de kernkwaliteiten van Brabant alsmede het beginsel van rechtsgelijkheid daarvoor de contouren.

Zo’n proces van betrokkenheid en participatie – het bestuursakkoord 2015-2019 spreekt van experimenteren met nieuwe vormen van bestuur en burgerbetrokkenheid – kost uiteraard de nodige organisatie, mede vanwege de inschakeling van deskundigen, wiens professie het is om verbindingen te leggen. Maar het geeft het overheidsbestuur ook alle kans om zijn positie en functie in de (toekomstige) samenleving te verdienen.

Het lijkt geen twijfel dat het regionaal niveau een belangrijk kader gaat vormen bij de uitvoering van de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisie en -plannen. Meermalen is al geconstateerd dat juist op dat niveau de bestuurlijke drukte hoog is, laat staan te hoog, wat mede veroorzaakt wordt doordat diverse bestuurlijke en uitvoeringregelingen steeds andere geografische grenzen kennen. Dus: pak nu echt de kans om uit te dokteren – in de ruime zin van het woord – wat een betere regionale procesarchitectuur kan inhouden als resultaat “van een heroverweging van de wirwar aan bestuurlijke arrangementen” (citaat uit het al genoemde bestuursakkoord). Essentieel daarbij is volgens mij dat duidelijker gemaakt wordt dan nu vaak het geval is wie voor wat verantwoordelijk is. Het zou een hoop overleg- en vergadergedoe kunnen besparen. En moet voor elk regionaal niveau dezelfde pasvorm gelden?

Kortom: de Omgevingsvisie opent veel kansen voor innovatie. Ik zou zeggen: laten we die met z’n allen beetpakken!

De Provinciale Raad voor de Leefomgeving (PRL) – in samenspraak met haar partners in BrabantAdvies – doet daar vanuit haar adviesrol graag aan mee.

Paul van Poppel, lid Provinciale Raad voor de Leefomgeving