Marc van der Meer: ‘Toerusten en innoveren voor de arbeidsmarkt vereisen een methodische aanpak’

BLOGREEKS brabant STERKER UIT DE CORONACRISIS

Marc van der meer

Bijzonder hoogleraar arbeidsmarktonderwijs Tilburg University – Raadslid SER Brabant

toerusten en innoveren voor de arbeidsmarkt vereisen een methodische aanpak

De coronacrisis heeft ons overvallen en grijpt diep in. Het maakt de urgentie duidelijk om de al lang bestaande arbeidsmarktvraagstukken aan te pakken. Het personeelstekort en Leven Lang Ontwikkelen bijvoorbeeld. Het blijvend toerusten van de toekomstige en de huidige beroepsbevolking is urgenter dan ooit.

De demografie, technologische ontwikkelingen en de internationalisering van economische processen maken de arbeidsmarkt tot topprioriteit. Er is sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod. Bij een vergrijzende beroepsbevolking is het niet verwonderlijk dat sectoren als de installatiebranche, de metaal en ICT met elkaar strijden om de beschikbare arbeidsinzet. Dat geldt evenzeer voor het publieke domein – de zorg, de veiligheidsbranches en het onderwijs. De voorspellingen dat banen op het middenniveau van mbo, hbo en associate degree zouden verdwijnen vanwege robotisering en digitalisering komen niet uit. De belangrijkste uitzondering hierop vormt de banken- en verzekeringswereld, waar banen verdwijnen. Op het middenniveau zijn heel veel vacatures, kern daarvan is dat taken en rollen veranderen onder invloed van de digitalisering.

Digitalisering

De coronacrisis liet het potentieel van de digitalisering zien; de arbeidspatronen zijn verschoven, werktijd en privétijd lopen door elkaar heen, dagvensters zijn opgerekt. Het enthousiasme over de ‘enorme doorbraak’ waarover nu gesproken wordt, wil ik echter nuanceren. Allereerst zijn robotisering en automatisering geen nieuwe ontwikkelingen. Denk aan de CAD-CAM revolutie in de industrie. Echte digitalisering vraagt om meer dan het gebruik van applicaties als Teams en Zoom. Neem het onderwijs. Aan de eerste voorwaarde voor afstandsonderwijs werd voldaan: de systemen – laptops en internet – waren veelal beschikbaar. Instructies, vergaderingen, overleggen en zelfs ouderavonden konden dan ook plaatsvinden. Wat ontbrak is de didactiek en de pedagogiek van het digitale leerproces. Die waren nog niet ontwikkeld. De kern van onderwijs is relationeel. Het gaat om contact en uitwisseling tussen leraar en lerende, iets uitproberen, verwondering bij leerlingen en studenten uitlokken. Als dat online moet gebeuren, komen de creativiteit van het moment, de dialoog en daarmee het onderwijs als geheel in de verdrukking. Dat gebeurde op alle niveaus. Leerlingen van het basis- en voortgezet onderwijs, het mbo en hoger onderwijs misten de gebruikelijke leersituatie, konden geen stage lopen en hun reguliere uitwisseling werd getemperd. Vervlakking over de hele linie is het resultaat.

Uitwisselingen mogelijk maken

De eerste voorwaarde voor een goed functionerende arbeidsmarkt is uitstekend (beroeps)onderwijs; mensen moeten blijvend toegerust worden. Dat vereist niet alleen innovaties in het leerplan, gegeven de digitalisering, maar vooral ook het organiseren van continue uitwisselingen (flows) tussen onderwijs en bedrijfsleven, tussen school en beroep, tussen school en werkveld. Stages, leeroriëntaties en om- en bijscholingen brengen die uitwisseling, zodat jongeren met hun creatieve invalshoeken kunnen bijdragen aan het oplossen van problemen en ervaren medewerkers gestimuleerd worden om zich te blijven ontwikkelen. Denk ook aan ouderverlof en mantelzorg. Corona heeft ons op achterstand gezet. We kunnen vaststellen dat er leerachterstanden zijn ontstaan en als er veel bezuinigd gaat worden zou er omvangrijke jeugdwerkloosheid kunnen ontstaan. Dat moet worden voorkomen. Voor de uitvallers bestaat nog geen goed vangnet. De groep uitvallers, die er altijd is, verdient een nieuwe kans, een ‘trampoline’: een mechanisme om terug te veren richting onderwijs en arbeidsmarkt. Onze actieve samenleving heeft iedereen nodig!

Onderwijsvernieuwing

De vraag die voortdurend speelt, is hoe het onderwijssysteem, het bedrijfsleven en de overheid kunnen anticiperen op externe ontwikkelingen. De basis moet goed in orde zijn. De huidige problemen op de arbeidsmarkt bestaan al langere tijd, werden gesignaleerd, maar werden niet erkend en vertaald in passende onderwijs- en scholingsprogramma’s. Neem de zorgsector. Het Brabantse Transvorm heeft sinds de kredietcrisis van tien jaar geleden jaarlijks de stormbal gehesen over de aanstaande tekorten. Niet alleen op de IC’s, ook in de verzorgende functies. Door corona is het heel helder geworden dat er op alle niveaus in de zorg mensen nodig zijn. En de zorg is niet de enige sector waar dit vraagstuk speelt. Het is duidelijk dat in beton gegoten onderwijsprogramma’s hier geen antwoord op hebben; het onderwijssysteem moet veranderen en vernieuwen om de talentontwikkeling van studenten en werkenden mogelijk te maken.

Wendbaarheid in elke laag

Het idee van de doorlopende leerlijnen is niet nieuw maar de urgentie ervan wordt alleen maar groter. De meeste vacatures ontstaan op mbo-plus niveau. Een klein ROC als Rivor uit Tiel heeft met Hogeschool Avans een samenwerking geïnitieerd om doorlopende leerlijnen te ontwikkelen in de zorgsector. Hun schaalgrootte maakt dat mogelijk, grotere organisaties zijn vaak minder wendbaar. We hebben voor een positieve leercultuur behoefte aan wendbaar gedrag, in het onderwijs, bij studenten en docenten en ook op de arbeidsmarkt. Minder sterke regelgeving en interne flexibiliteit ontstaan alleen als de professionele normen van kwaliteit hoog zijn. Als werkenden zich ontwikkelen en samen gaan werken met anderen ontstaat er persoonlijke groei. Alleen dan kan Leven Lang Ontwikkelen verder komen dan een beleidsvoornemen. De coronacrisis gaat ons helpen om stappen te zetten, al vormt de overal en altijd hoge werkdruk en uitval een remmende factor. Het ontbreekt te veel aan goede normen van arbeidskwaliteit. Daardoor wordt er bij organisaties geen tijd genomen om samen op te trekken om bijvoorbeeld de digitalisering goed te documenteren, te begrijpen en in te richten. De basisvaardigheden van medewerkers moeten op dit punt voortdurend worden bijgespijkerd. Persoonlijke ontwikkeling, werk- én leertaken en het aannemen van nieuwe professionele rollen zijn de basis voor co-creatie en vormen daarmee de bouwstenen voor een lerende organisatie. Helaas is die leercultuur in Nederland nog maar matig ontwikkeld.

Leercultuur

Een gezonde leercultuur veronderstelt gerichte samenwerking tussen werkenden, tussen leiding en werkvloer, binnen en tussen organisaties. En dan gaat het niet om het hijsen van een vlag om de samenwerking te vieren als een wethouder of minister op bezoek komt om het laatste scholings- en arbeidsmarktpact te vieren; op de werkvloer zijn doorgaans de grootste aanpassingen nodig. Dat betekent: transformationeel leiderschap in alle lagen van de organisatie, zeker ook op het uitvoerende niveau. Pas dan kunnen onderwijs en bedrijfsleven samen de goede analyses maken van de kansen en risico’s om innovaties te verwerkelijken. De diverse PPS-programma’s die het afgelopen decennium tot stand zijn gekomen in het Techniekpact en het Zorgpact beogen dit soort samenwerkingen. Er zijn broedplaatsen, wat goed is: bij innovatie hoort dat duizend bloemen bloeien. Uit onze recente Europese studie naar publiek- private samenwerking in 23 landen blijkt echter ook dat het te veel ontbreekt aan serieuze documentatie van de opbrengsten en problemen, waardoor methodisch en systematisch innoveren uitblijft.

Ontwikkelingsgericht

Een bijkomend probleem is dat de huidige oplossingen voor de uitdagingen in de arbeidsmarkt gericht zijn op de korte termijn. Alle aandacht die er nu is voor een skills based labour market ten spijt. Dat gaat in de kern om beter matchen, wat absoluut onvoldoende is om de kwalitatieve mismatch op te lossen. Er is een ontwikkelingsgerichte benadering nodig, gericht op de kennis, vaardigheden en attitude in de markt. Versterking van deze competenties past in onze Rijnlandse traditie. Als een school door corona bijvoorbeeld is overgeschakeld op online onderwijs, is het belangrijk om de vraag te stellen welke leerlingen niet zijn bereikt en waarom ze uitvallen. Dat moeten bedrijven en instellingen ook doen. Ontwikkelingsgericht werken is motiverend, vergroot je effectiviteit, het persoonlijke welzijn van medewerkers en leidt tot een beter verdienvermogen.

Conclusie

Vernieuwing bij bedrijven en onderwijs, professionalisering van medewerkers en onderzoek zijn nauw met elkaar verweven en wordt alleen bereikt in samenwerking en co-creatie. Daarvoor zijn kennis en vaardigheden, een montere attitude en wendbaar gedrag nodig. Daarom verdient een benadering die nadenkt over de ontwikkeling van meer eenvoudige naar meer complexe werk- en leertaken, beleidsmatige ondersteuning. Er is daarna opschaling nodig. Voor Brabant houdt dat in dat de spanning tussen een regionale en een sectorale aanpak doorbroken moet worden. Een regionale aanpak is behulpzaam, zodat de schaarste aan arbeidskrachten niet leidt tot onderlinge concurrentie tussen de sectoren in de regio. De samenwerking tussen de Brabantse mbo-scholen en de provincie in Kennispact 3.0 heeft geleid tot een gezamenlijke aanpak van bijvoorbeeld macro-doelmatigheid en inburgering. Dat is een enorme stap vooruit. Nu wordt gekeken naar sectoren als de zorg, agrofood en data science in verbinding van mbo, hbo en enkele bedrijven. De vervolgstap is deze initiatieven verder methodisch te innoveren. Dat is letterlijk toerusten en innoveren.

Marc van der Meer is bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt en onafhankelijk wetenschappelijk adviseur voor de MBO-sector. Marc heeft zitting in SER Brabant, waar hij een waardevolle bijdrage levert met zijn scherpe analyses.

ArbeidsmarkInZicht.nl en BrabantAdvies halen de blik op van buiten. Negen experts – uit Brabant en breder – geven hun visie op de ontwikkelingen in coronatijd en bijbehorende herstelaanpak.

Wekelijks publiceren we de blogs op onze site en op ArbeidsmarktInZicht.nl,  vooruitlopend op het advies ‘Impactvol investeren’.

Delen:

Gerelateerde berichten

Op 15 juli vond een zeer inspirerende VABIMPULS Event plaats. Opgedane ervaringen van bijna 4 jaar ondersteuning en begeleiding van ruim 650 initiatiefnemers werden tijdens deze bijeenkomst online gedeeld. Hiermee stimuleert VABIMPULS beweging in het landelijk gebied. Als vervolg hierop is er op 21 oktober een programma met verdiepende workshops waarin ontmoeting en uitwisseling letterlijk centraal staan: 'dynamiek op het Brabantse platteland'
De heer Raúl Henriquez (directeur-secretaris) en mevrouw Miloushka Sboui-Racamy (senior adviseur) van de Sociaal-Economische Raad Curaçao brachten op woensdag 21 juli jl. een werkbezoek aan BrabantAdvies. De bijeenkomst stond in het teken van een kennismaking tussen de SER Brabant en SER Curaçao.
Een gesprek met Jan Brands, directeur Cultuurconnectie en Barbara Brouwer, directeur Phoenix Cultuur Meierijstad over de stand van de cultuursector en de investeringen die nodig zijn voor een slagvaardige cultuursector in de samenleving. Want als de coronacrisis iets heeft bewezen, dan is het wel de grote waarde van kunst en cultuur. De sector draagt voor 3,7% bij aan het BNP, meer dan de landbouw. Tegelijkertijd hebben de ingrijpende maatregelen tegen het coronavirus grote gevolgen voor de cultuursector. Niet alleen financieel, maar veel artiesten, kunstenaars, theatermakers zijn verloren gegaan voor de sector. En dat vraagt om duidelijke investeringen. Van provincies, gemeenten en bedrijven. Lees hier alle aanbevelingen.
Het is nu nog mogelijk om in Brabant te werken aan een zachte overgang en natuurlijke verbindingen tussen de steden, de dorpen en het omringende landschap. Die kans moeten we niet voorbij laten gaan. Martine Sluijs, Stadmaker/Parkmaker, wil een beweging op gang brengen. Om stedelijke gebieden leefbaarder, gezonder, socialer, klimaatbestendiger en biodiverser te maken. ‘In steden zien we initiatieven die de stad klimaatbestendiger en natuurlijk maken. Die beweging kunnen we ondersteunen en laten groeien. Essentieel is daarbij: geen regels en sturing, maar de groepen opzoeken en hun ideeën verbinden. Hou het dichtbij, licht en luchtig. Uiteraard heeft de provincie grote invloed op het ruimtelijk beleid: als er gebouwd wordt, dan is dat het natuurinclusief en moet er ook ruimte zijn voor natuur. Daarbij moet ook geregeld zijn dat die nieuwe natuur onderhouden wordt.’ Lees hier de hele blog.